Oud-bestuurslid van het Neolatinistenverband Dirk van Miert wordt per 1 oktober de nieuwe directeur van het Huygens ING van de KNAW, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur. Hij volgt Lex Heerma van Voss op die met pensioen gaat.

Dirk van Miert (1974) is momenteel universitair hoofddocent vroegmoderne cultuurgeschiedenis en hoofd van de afdeling Cultuurgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Hij legt zich toe op de vroegmoderne geschiedenis van universiteiten en geleerdheid. Ook geeft hij leiding aan een groot project (gefinancierd door de European Research Council) om met digitale technieken onderzoek te doen naar de ‘Republiek der Letteren’, de gemeenschap van geleerden en wetenschappers tussen 1500 en 1800.

Na zijn opleiding Latinistiek promoveerde Van Miert in 2004 aan de UvA op een universiteitshistorisch onderzoek. Als postdoc werkte hij aan het prestigieuze Warburg Institute in Londen aan een veelgeprezen kritische editie van de correspondentie van de geleerde Joseph Scaliger (1540-1609). Vervolgens schreef hij op het Huygens ING een monografie over de emancipatie van bijbelfilologie in de zeventiende-eeuwse Nederlandse Republiek. Daarna werkte hij aan de Universiteit Utrecht, waar hij onder meer college gaf over de geschiedenis van natuurwetenschappen en geesteswetenschappen en over de theorie van geschiedenis.

Met Dirk van Miert krijgt het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis een interdisciplinair geschoolde, bevlogen en creatieve directeur die verbindingen legt tussen de geschiedenis van politiek, literatuur en wetenschap. Hij heeft veel ervaring met digital humanities zonder daarbij de meer traditionele onderzoeksmethodes uit het oog te verliezen. Zijn expertise komt goed van pas in de lange termijnstrategie van het Huygens ING om via big data, duurzame digitale infrastructuur en digitale technieken grip te krijgen op de interactie van culturen en identiteiten in de Nederlandse geschiedenis.

Ons bereikte het ontstellende bericht dat dr. Jeanine De Landtsheer op 18 januari, haar verjaardag, is overleden. Zij was een van de trouwste leden van de kring van Neolatinisten in Nederland en daarbuiten. Als classica promoveerde ze in 1993 bij Jozef IJsewijn op een editie van Lipsius’ correspondentie van het jaar 1593. Ze groeide uit tot een eminent Lipsius-kenner die vele delen van de Iusti Lipsi Epistolae (ILE) heeft verzorgd en andere editoren begeleidde. Zij bekleedde tal van bestuurstaken en vervulde als aanspreekpunt, vraagbaak en blijmoedige gesprekspartner op congressen en andere bijeenkomsten een spilfunctie. Lipsius genoot haar grote voorliefde, maar ze richtte zich ook op andere humanisten, onder wie Erasmus, van wie ze Gesprekken, Spreekwoorden en werken over de opvoeding prachtig vertaalde. Ze was een zeer kundige, gedreven, en vasthoudende onderzoeker, en bovenal een hartelijke collega die altijd bereid was hulp te bieden. Ze is 67 jaar geworden. We zullen haar zeer missen en houden haar nagedachtenis in ere.

De afscheidsplechtigheid voor Jeanine op vrijdag 22 januari is via deze link terug te zien: https://youtu.be/gUvIfKqNBfM. De rouwkaart kunt u hier downloaden (een Engelse versie is hier te vinden).

JB

Onlangs is Titivillus gelanceerd, een nieuw programma om de spelling van Latijn en oud-Grieks in Word-documenten te controleren. Het is gratis te downloaden voor Windows via: www.riedlberger.de/titivillus. Voor Neo-Latijn is het programma misschien minder bruikbaar vanwege de idiosyncratische spelling van sommige auteurs of drukkers, maar de orthografische conventies kunnen naar eigen voorkeur aangepast worden.

De 20-delige reeks De correspondentie van Desiderius Erasmus, verschenen bij uitgeverij Ad. Donker, is onlangs gecomplementeerd met een registerdeel. Het is samengesteld door István Bejczy en bestaat uit een register van correspondenten en een register van persoonsnamen.

De complete reeks is online te raadplegen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

De voltooiing van de reeks heeft veel media-aandacht gegenereerd. In het bijzonder wil ik de volgende noemen:

Er verscheen een uitgebreid artikel in NRC Handelsblad van 22 oktober.

Daarnaast heeft Jos Exler, de weduwe van uitgever Willem Donker die de uitgave van de correspondentie heeft voortgezet, de complete reeks ten paleize aangeboden aan Koning Willem-Alexander. U vindt een verslag op de website van Blauw Bloed. Ook was er aandacht voor in de uitzending van 18 oktober (vanaf 1:00 min.).

Op 28 augustus j.l. is Sybren Sybrandy op 78-jarige leeftijd overleden. Hij was opgeleid als classicus en werkte ruim 30 jaar bij de Universiteitsbibliotheek Groningen, waarvan lange tijd als hoofd van de vakreferenten. Samen met bibliothecaris Alex Klugkist schreef hij Van knekelhuis tot kloppend hart. Geschiedenis van de bibliotheek van de RUG, 1615 tot heden. Hij was lid van de Fryske Akademie en schreef veel in het Fries. Zijn interesse in Friesland combineerde hij met die in het Neolatijn, wat onder andere resulteerde in Geldzucht en godsvrucht. Een bloemlezing uit de brieven van rector Reinerus Neuhusius (1608-1679) (samen met Piter van Tuinen), en artikelen over de Franeker academie en Erasmusliteratuur in Friesland.

Het Poolse National Science Centre (NCN) heeft een subsidie aan Jan Waszink toegekend voor zijn onderzoeksproject ‘The Secularisation of the West: Tacitism from the 16th to the 18th century’ in het kader van hun programma Opus 18. Deze subsidie is vergelijkbaar met de Vidi-subsidie van NWO. Zie voor meer informatie over het project: https://ncn.gov.pl/sites/default/files/listy-rankingowe/2019-09-16/streszczenia/467872-en.pdf.

Op 9 april j.l. is pater dr. C.S.M. Rademaker ss.cc. op 89-jarige leeftijd overleden. Hij had zijn heup gebroken en in het ziekenhuis bleek dat hij het Coronavirus bij zich droeg.​ Cor Rademaker was een veelzijdig mens, die priester was en jarenlang provinciaal overste en historicus van zijn orde, maar ook een Erasmus- en Vossiuskenner, musicus en componist, archivaris, en nog veel meer. Hij studeerde filosofie, theologie en geschiedenis. Aan het begin van zijn wetenschappelijke werk schreef hij een biografie van Gerardus Johannes Vossius, waarvan hij drie versies publiceerde, in 1967, 1981 en 1999. Jarenlang was hij lid en penningmeester van de Erasmuscommissie en de Conseil International pour l’édition des oeuvres complètes d’Érasme. In de Erasmi Opera Omnia (ASD) gaf hij enkele Psalmcommentaren en enkele preken uit, in de delen V, 3 (1986) en V, 7 (2013). In 2019 verscheen deel VIII, 1, waarin hij een groot aandeel had met de uitgave van de praefationes bij de kerkvaders, iets wat zijn hart had. Ik denk met genoegen terug aan het plezier dat hij beleefde toen hij het deel in handen kreeg. Hij was tot het laatst toe actief. In hem is een erudiet, veelzijdig en warm mens gestorven, en een groot geleerde. We gedenken hem met respect en warmte. Gegeven de omstandigheden vindt zijn uitvaart in kleine kring plaats.

JB

Jan Bloemendal heeft een NWO Open Competitie-subsidie toegekend gekregen voor zijn project ‘TransLatin: De transnationale impact van Latijns toneel uit de vroegmoderne Nederlanden, een kwalitatieve en computationele analyse’. Daarmee is een bedrag van 750.000 euro gemoeid, waarmee hij vier jaar lang twee postdocs (op het gebied van Neolatijn en Digital Humanities) en een onderzoeksassistent kan aanstellen, alsook IT-hulp kan inroepen.

In de Renaissance en erna ging literatuur over grenzen heen, vooral toneelschrijvers uit verschillende landen beïnvloedden elkaar, omdat hun stukken overal werden gelezen en opgevoerd. Latijns toneel, in het bijzonder dat uit de Nederlanden, speelde een belangrijke rol in dit proces. Dit project zoekt uit hoe dat gebeurde met historisch onderzoek en moderne computertechnieken. Netwerken tussen toneelschrijvers en de migratie van thema’s, motieven en formuleringen zullen worden opgespoord en geanalyseerd. Zo zullen we met een ‘transnationale’ blik laten zien dat Nederland meer ingebed was in Europa dan we dachten, en een nieuwe literatuurgeschiedenis schrijven van het vroegmoderne toneel.

Tijdens de crematieplechtigheid van Chris Heesakkers op woensdag 5 december 2018 sprak Anton van der Lem het volgende levensbericht uit:

Lieve Chris en Wil, lieve kinderen.

Een oratio funebris – en hoeveel zijn er niet door je handen gegaan? – klinkt in het Nederlands als levensbericht zoveel zachter en veelzeggender dan het woord grafrede. Voor je bijdragen aan de levende wetenschap wil ik je hier onze dankbaarheid uitdrukken.

Voor de vele leerlingen, collega’s en onderzoekers  die je dierbaar waren, was en blijf jij de grootmeester in de klassieke traditie en het Neolatijn. Een grootmeester die ook grootmoedig was, die anderen ruimhartig en minzaam in zijn kennis liet delen, op wie niemand ooit vergeefs een beroep deed. Je onderscheidde je als filoloog door je buitengewone eruditie. Je was zo vertrouwd met de Griekse en Latijnse epiek en lyriek, dat je met graagte Neolatijnse ontleningen uit het Grieks blootlegde. Een editie die naliet zulke verwijzingen te signaleren schoot in jouw ogen tekort. Zelf was je niet alleen een uiterst precies en bijzonder productief uitgever van Latijnse teksten, je blijft ook vermaard om je nauwgezette vertalingen. Telkens wist jij het woord te treffen dat het dichtst bij het Latijn bleef, en in het Nederlands toch soepel en elegant klonk. Levenslang heb je zo ook aan een breder publiek kunnen laten zien dat een groot deel van onze vaderlandse letterkunde niet in het Nederlands maar in het Latijn is geschreven.

Ook jij moest bij het begin beginnen. Als zoon uit een kinderrijk boerengezin bij Berlicum begon je aan het kleinseminarie van Heeswijk-Dinter, in het land waar men nog ‘hulders en wulders’ zei. Een van je klasgenoten van het kleinseminarie bracht jou de afgelopen maanden nog regelmatig een bezoek. Boven de wijngaard des Heeren verkoos je de studie klassieke talen en je academische loopbaan startte bij Bijzondere Collecties aan de Leidse Universiteit. Hier beschreef je de brieven van vroeg-moderne Nederlanders uit Noord en Zuid, en je stond daarmee aan de wieg van de Catalogus Epistularum Neerlandicarum. Je raakte geboeid door leven en werk van Janus Dousa. Voor je proefschrift beperkte je je wijselijk tot de brieven tussen Janus Dousa en zijn Vlaamse vriend Victor Giselinus en tot een zorgvuldige analyse van Dousa’s eerste gedichtenbundel. Op 24 november 1976 promoveerde je in Leiden bij Waszink en je proefschrift droeg je op uxori carissimae, aan je heel dierbare echtgenote, eveneens classica Wil Heesakkers-Kamerbeek.  Nog geen jaar later aanvaardde je de uitnodiging van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen om toe te treden tot de redactie voor de uitgave van alle werken van Erasmus, de zogeheten ‘Amsterdamse uitgave’.

Toegewijder en trouwer volgeling heeft Dousa nooit gehad. Bij tal van gelegenheden binnen en buiten Leiden heb je over hem gesproken en geschreven. Onbetwist hoogtepunt vormde je facsimile-uitgave in het lustrumjaar 2000 van het album amicorum van Dousa, gemaakt in nauwe samenwerking met André Bouwman. Dousa, met een halve pleiade aan zonen en een hele pleiade aan geleerde vrienden werden allemaal jouw vertrouwelingen en daarmee ook de onze: Hadrianus Junius, Petrus Bertius, Bonaventura Vulcanius, Lipsius en Scaliger, op Dousa’s aandringen aan onze universiteit verbonden, en nog vele anderen. De Koninklijke Vlaamse Academie van België heeft je van nabij betrokken bij haar prestigieuze project het volledige brievencorpus van Lipsius uit te geven. Je hebt alle delen die tot nu toe verschenen zijn én het deel dat ter perse is, zorgvuldig nagelezen en de editoren heel wat nuttige tips gegeven. Op het terrein van de alba amicorum was je pionier en meester tegelijk door samen met Kees Thomassen de Nederlandse alba in kaart te brengen, uit tal van bibliotheken in binnen- en buitenland, bekroond door een prachtige tentoonstelling en catalogus. In perfecte harmonie tussen Noord en Zuid maakte je met de Vlaming Marcus De Schepper de Bibliographie de l’humanisme des anciens Pays-Bas, met alles erop en eraan.

Vele jaren ben je als docent Neolatijn verbonden geweest aan de Universiteit van Amsterdam; eerst bij het Instituut van die naam, daarna bij de vakgroep Nederlands. In 1982 had je een groot aandeel in de herdenking van de stichting van het Amsterdamse Athenaeum Illustre in 1632. Vervolgens was het weer de Universiteit Leiden die je gaf wat je verdiende: de leerstoel voor Neolatijn, vanwege het Leidsch Universiteits Fonds. Als docent en hoogleraar in respectievelijk Amsterdam en Leiden heb je je vleugels wijder, veel wijder kunnen uitslaan. Classici en neolatinisten uit allerlei landen kwamen als vanzelf naar je toe. Internationaal waren de uitnodigingen om te spreken op congressen of zitting te nemen in promotie-commissies. Je bent de stamvader van flink wat promoti, die je uitnodigde voor een diner toen er einde kwam aan je ius promovendi. Voor elk van hen had je een persoonlijk woord. En zoals wij allemaal weten was ‘genoeglijk’ een jou dierbaar woord, dat je vaak gebruikte, zeker die avond. Je was een vriendelijke en onderhoudende congrestijger: je ontbrak zelden bij de Erasmus Birthday Lecture (die je in 2002 zelf uitsprak) en graag nam je deel aan de driejaarlijkse bijeenkomsten van de International Association of Neo-Latin Studies.

Je zei zelden nee. Je publiceerde over tal van onderwerpen in tal van talen. Nu ik als medewerker van de Leidse UB de eer heb je papieren te mogen ordenen en beschrijven zie ik pas goed hoe groot je productie is, en in welke talen je publiceerde en correspondeerde: niet alleen in het Frans, Duits en Engels, maar ook in het Italiaans en Spaans. Spanje, dat na je emeritaat een bijzondere liefde van je werd en waar je een graag genode gast was. Uit je nalatenschap heeft Wil een heel tastbaar blijk van je belangstelling aan de UB Leiden geschonken: honderdvijftig boeken in het Spaans over het humanisme in Spanje in de vijftiende en zestiende eeuw.

Jij, met je liefde voor het Neolatijn, besefte dat wanneer een vakgebied wil groeien, het ook een zekere organisatie moet kennen. Je werd dus een van de oprichters van het Neolatinistenverband, dat de kenners en liefhebbers bijeen moet krijgen en bijeen moet houden. Het mondde uit in jaarlijkse bijeenkomsten en een mededelingenblad, eerst op papier, nu digitaal. Dat je telkens zoveel verplichtingen vrijwillig op je nam en je hart je altijd ja ingaf als iemand vroeg om een tekst te vertalen of een teksteditie na te kijken, is iets waarmee je onbedoeld je eigen werk te kort deed. De vele studies over Dousa leidden wel, met Wilma Reinders, tot een bescheiden biografische schets voor het bredere publiek. De grote Dousa-studie die men weliswaar onuitgesproken van je verwachtte is er niet gekomen. Degene die het nu zou aandurven het boek over Dousa te schrijven, vindt in jouw publicaties het fundament. Je vrouw Wil, als classica ook in je werk steun en toeverlaat, hielp je bij het realiseren van een andere, lang gekoesterde wens: de uitgave van Erasmus’ polemiek met Alberto Pio, voor de Amsterdamse Opera omnia – een editie die gelukkig in 2015 in Den Haag gepresenteerd kon worden.

Lieve Chris, bij een van mijn bezoeken het afgelopen jaar bracht ik een platenboek over Zwitserland voor je mee, een ouderwets boek met kleurenfoto’s en in een grote letter. Je genoot van de afbeeldingen en je ogen en vingers dwaalden over de tekst. Tot je vinger stil hield en je tot mijn verrassing zei: ‘Erasmus’. We kennen allemaal de ‘fijne glimlach’ van Erasmus, die zichzelf een ‘christianus infirmissimus’ noemde, een gebrekkig christen. Jouw lach en minzaamheid, Chris, christianus, waren guller en blijer dan de zijne. Jouw lach en beminnelijkheid zullen ons bijblijven en tot steun zijn. Daarvoor en voor je onvermoeibare inzet voor het Neolatijn blijven wij allemaal je heel dankbaar.

Anton van der Lem

Met dank aan Wil Heesakkers-Kamerbeek, Jeannine De Landtsheer, Dirk van Miert, Marcus De Schepper en Arnoud Visser.

Post Navigation